Jaarlijks 107.000 kinderen in Nederland mishandeld

In 2005 werden ruim 107.000 Nederlandse kinderen het slachtoffer van kindermishandeling, concludeert de onderzoeksgroep van Rien van IJzendoorn. Een kleine 24.000 van hen is slachtoffer van fysieke en/of seksuele mishandeling. De rest wordt fysiek of emotioneel verwaarloosd. Op 25 april stuurt minister van Jeugd- en Gezinszaken André Rouvoet het rapport met beleidsaanbevelingen naar de Tweede Kamer.

Onderzoeksrapport

Kindermishandeling wordt al ruim dertig jaar beschouwd als een belangrijk probleem. Toch was tot dusver niet bekend hoeveel kinderen slachtoffer worden van mishandeling. Jarenlang ging men voor Nederland uit van zeer globale schattingen van tussen de 50.000 en 80.000 gevallen per jaar. Op verzoek van het ministerie van Justitie en het ministerie van VWS deed een onderzoeksgroep onder leiding van prof.dr. Rien van IJzendoorn onderzoek naar de omvang en aard van mishandeling in Nederland van kinderen en jongeren van 0 tot 17 jaar. Het onderzoeksrapport Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen is de eerste Nederlandse studie naar het voorkomen van kindermishandeling en wordt op 25 april aangeboden aan minister Rouvoet van Jeugd- en Gezinszaken. Hij stuurt het dezelfde dag met beleidsaanbevelingen door naar de Tweede Kamer.

107.200 kinderen

In het onderzoeksrapport wordt het aantal kinderen dat jaarlijks mishandeld wordt geschat op 107.200. Dat betekent dat van iedere duizend kinderen er jaarlijks ongeveer dertig mishandeld worden. In ongeveer drie kwart van deze gevallen gaat het om verwaarlozing. Dat kan fysieke of emotionele verwaarlozing zijn, of om verwaarlozing van het onderwijs, bijvoorbeeld wanneer ouders toestaan dat kinderen chronisch spijbelen. 19.000 kinderen worden fysiek mishandeld. De schatting van het aantal gevallen van seksuele mishandeling bedraagt ruim 4.700. Seksuele mishandeling is daarmee de vorm van mishandeling die het minst voorkomt. Bijna een kwart van de mishandelde kinderen ondergaat seksuele en/of fysieke mishandeling.

Meer dan in het buitenland

Het aantal van 30 op 1000 kinderen is hoog in vergelijking met de aantallen in soortgelijke studies in het buitenland. In de Verenigde Staten kwam men met een vergelijkbare methode op het aantal van 23 op 1000. Studies met vragenlijsten ingevuld door potentiële slachtoffers leiden overigens tot veel hogere schattingen: gemiddeld bijna 200 gevallen per 1000 kinderen. Maar zelfrapportage is een ondeugdelijke methode vanwege wisselende en subjectieve criteria voor wat als mishandeling geldt.

Risicofactoren

Het risico op kindermishandeling is bijna zeven keer groter in gezinnen met zeer laag opgeleide ouders. Werkloosheid van beide ouders vergroot het risico met ruim vijf keer. Ouders met een allochtone achtergrond lopen een ongeveer 3,5 keer verhoogd risico hun kinderen te mishandelen, maar de oorzaak daarvan is vooral gelegen in het feit dat allochtone ouders vaak een zeer lage opleiding hebben. Een groter gezin van drie of meer kinderen en alleenstaand ouderschap verdubbelen het risico op kindermishandeling.

Laag opleidingsniveau groter risico dan allochtone afkomst

Deze risicofactoren zijn niet nieuw of verrassend. Nieuw is wel dat blijkt dat een zeer lage opleiding de invloed van de allochtone achtergrond als risicofactor naar de achtergrond duwt. Een zeer laag opleidingsniveau – gedefinieerd als een afgebroken opleiding na de basisschool - vormt dus een belangrijker risico dan afkomst uit een etnisch-culturele minderheid. Wat ook nieuw is dat de omvang van de risicofactoren nu veel nauwkeuriger bepaald kan worden en dat ze met elkaar vergeleken kunnen worden.

Effectief scholings- en werkgelegenheidsbeleid

Werkloze ouders en ouders met een afgebroken opleiding na de basisschool maken zich relatief het meest schuldig aan kindermishandeling. Van IJzendoorn: ‘Daarom zou ik willen pleiten voor een effectief scholings- en werkgelegenheidsbeleid. Dat is misschien wel de belangrijkste maatregel om kindermishandeling terug te dringen.

Opvoedingsondersteuning

Kindermishandeling vindt relatief vaak plaats in gezinnen met alleenstaande ouders en in grotere gezinnen, vertelt Van IJzendoorn. ‘Hier zou ondersteuning bij de opvoeding soelaas kunnen bieden. Door ouders gedragstraining te geven kun je ze beter helpen bij de zware opvoedingstaak. De consultatiebureaus hebben in Nederland een unieke rol in het volgen van kinderen en hun ouders gedurende de eerste levensjaren en kunnen aan ouders de broodnodige steun in de rug of correctie geven .’

Herhaalde peilingen nodig

Van IJzendoorn vindt het van groot belang dat het niet bij een eenmalig onderzoek naar het voorkomen van kindermishandeling blijft, maar dat er herhaalde peilingen worden uitgevoerd. Alleen zo kun je vaststellen of bijvoorbeeld gewijzigd overheidsbeleid, een gewijzigde bevolkingssamenstelling of een veranderde mentaliteit bij de ouders invloed heeft. De Amerikaanse overheid financiert nu al enkele tientallen jaren de kostbare National Incidence Studies, die als voorbeeld voor het Leidse onderzoek hebben gediend.

Pedofiele omgang gedoogd

Van IJzendoorn: ‘In het verleden zijn ernstige fouten gemaakt in wetenschap, beleid en praktijk bij het beschermen van kinderen tegen allerlei vormen van mishandeling. Nog niet zo lang geleden wilde een overweldigende meerderheid van de Tweede Kamer de rechten van pedoseksuelen op geweldloze, maar verder ongebreidelde, seksuele omgang met minderjarigen juridisch toestaan. In 1991 aanvaardde de Tweede Kamer een voorstel om een ‘klachtvereiste’ in te voeren voor pedoseksuele omgang met kinderen van twaalf tot zestien jaar. Dergelijke omgang zou alleen strafrechtelijk vervolgd kunnen worden als deze kinderen zelf, of hun wettelijke vertegenwoordiger, een formele klacht zouden indienen bij justitie. In de overige gevallen veronderstelde de wetgever blijkbaar vrijwilligheid van de kant van de twaalfjarige. Daarmee werd pedofiele omgang dus gedoogd. Pas in 2002 werd het klachtvereiste afgeschaft.’